Sivut kuvina
PDF
ePub

Het geval kan zich dus voordoen, dat een uitvoerder de regten opschort en het bezit behoudt en de erfgewamen, om dat bezit te doen eindigen, de regten korten tijd na de opschorting weder betalen. De een breekt dan af, wat de ander heeft opgebouwd.

Uit al het gezegde blijkt het wenschelijke eener overeenstemming tusschen uitvoerder en erfgenamen, want niet alleen het zoo even aangehaalde geval zal zich kunnen voordoen, maar ook nog andere. De uitvoerder, hebben wij gezien, heeft de bevoegdheid goederen der nalatenschap te verbinden, maar welke goederen zal hij daartoe aanwijzen? Het is in het belang des uitvoerders, hierin zeer voorzigtig te zijn en met de meest mogelijke goede trouw te werk te gaan, ja zelfs om zich schriftelijk te doen magtigen tot zekerheidstelling, of op eenige voldoende wijze zich de goederen te doen aanwijzen, die de erfgenamen het meest geraden achten te verbinden, daar hij zich in het tegenovergesteld geval van hunnentwege vele moeijelijkheden op den hals haalt en soms regtsgedingen zou te wachten hebben.

En hiermede, geachte lezer, willen wij onze taak als geëindigd beschouwen. Wij hopen dat zij met toegevendheid zal worden aangenomen en dat, zoo gij u met onze gevoelens niet mogt kunnen vereenigen, gij u wel de moeite zult willen getroosten ons uwe denkbeelden mede te deelen over eene kwestie, die in de praktijk, van zooveel belang is.

AANGIFTE VOOR VERKOOPINGEN VAN

ROERENDE GOEDEREN.

De arrondissements-regtbank te 's Hertogenbosch heeft bij vonnis van 20 October 1865, eene kwestie behandeld, betreffende het doen van voorloopige aangifte van verkoopingen van roerende goederen, ingevolge de wet van 22 Pluviose, jaar VII, welke voor de notariële praktijk van eenig belang mag genoemd worden, maar aangezien ik mij niet in allen deele met de uitspraak der regtbank kan vereenigen en die zelfs gevaarlijk durf noemen, wanneer men haar in alles zou willen volgen, zoo wil ik mijn gevoelen over het onderwerp kort mededeelen. Daar het vonnis niet groot is, laat ik het voor de duidelijkheid, hier in zijn geheel volgen.

„De regtbank, enz.
„Gehoord het rapport.

„Ten aanzien der daadzaken: Overwegende dat het „bestuur der Registratie en Domeinen den 17 Junij „1864 tegen den opposant een dwangschrift heeft uit„gevaardigd tot betaling van 138 gulden voor twee „boeten, ter zake dat hij op 13 en 14 Junij 1862, „veld- of grasgewas in het openbaar verkocht heeft, „zonder daarvan vooraf aangifte te hebben gedaan ten „kantore der Registratie, zooals zulks gevorderd wordt „bij de artikels 1, 2, 7 en 8 der wet van 22 Pluviose „jaar VII, artikels 12 en 16 der wet van 16 Junij „1832 en artikel 1 der wet van 31 December 1861. „Dat tegen dat bevelschrift de opposant in verzet is „gekomen op grond dat de acten waarop het bestuur „doelt en waarvan hij uittreksels ten processe overge„legd heeft, niets anders zijn dan processenverbaal van „verhuring van hooilanden voor het saizoen van het „loopende jaar en de benaming van verkooping van „veld- of grasgewas, daaraan door het bestuur gege„ven, ten eenemale onjuist is: „Dat het bestuur der „Registratie hiertegen heeft aangevoerd: dat ieder der „processenverbaal inhoudt, dat sommige percelen alleen „mogen worden gehooid, dus daardoor de huurders „geen genot van de zaak zelve hebben, als wordende „hun geen beschikking over het land toegestaan , maar „alleen het regt om het daarop wassende of nog te „wassen hooi, en dus den oogst tot zich te nemen.

„Dat de opposant later beweerd heeft, dat de bewuste „processenverbaal duidelijk de overeenkomst staven waarbij „de eene partij zich verbindt om aan de andere het ge„not eener zaak te doen hebben, tegen eenen bepaalden „prijs en gedurende eenen bepaalden tijd; dat toch de „uitdrukking „verhuurd voor het saizoen van het loo. „pende jaar om tweemaal te hooijen," zulks aantoont, „wordende daardoor aan den huurder afgestaan en het „genot van het aanwezige gras, en van dat hetwelk „daarop gedurende het saizoen mogt groeijen, dus af„stand van het genot der percelen voor een bepaalden tijd.

„Dat eindelijk het bestuur der Registratie nog opge„merkt heeft: 10. dat gemelde uitdrukking geenen an„deren zin heeft dan dat het gewas van het loopende „saizoen in tweemalen gemaaid en geoogst moet worden, „zulks op de beslissing in casu niet van invloed kan „zijn, omdat bij de cursijf alinea van artikel 12 no. 2 „der wet van 16 Junij 1832, expressis verbis bepaald „wordt dat met verkoopingen gelijk gesteld wordt, de „verpachting of afstand van het genot van landerijen „om het daarop staande gewas in te oogsten.

„In regten

„Overwegende: Dat de acten door opposant ten pro„cesse overgelegd, gedagteekend 13 en 14 Junij 1862, „niet alleen melden het verpachten van landerijen, maar ,,ook alle de vereischten van eene overeenkomst van „huur en verhuur inbouden; dat toch de landerijen „voor het saizoen van het loopende jaar worden ver„pacht om tweemaal te hooijen.

„Overwegende, dat juist door te verpachten voor het „saisoen om tweemaal te hooijen, een tijdelijke afstand „van grond plaats heeft, waarover de eigenaar in dien „tusschentijd niet beschikken mag; een afstand door „den verhuurder zelven in de twee onderwerpelijke ge„vallen erkend, daar hij zich voorbehoudt de bevoegd„heid om, nadat het eerste gras zal gemaaid zijn, de „slooten der landerijen te kunnen doen opgraven.

„Overwegende, dat uit een en ander volgt dat hier „geen verkoop van grasgewas, maar wel degelijk ver„haring vau landerijen heeft plaats gehad en dat zich „ook niet voordoet het geval van art. 12 der Wet van „16 Junij 1832, dat is: afstand van het genot van „land alleen om het daarop staand gewas in te oogsten: „dat overigens gezegd artikel, strekkende tot regeling „der hoegrootheid der heffing, niet bij analogie mag „aangewend worden tot uitbreiding der poenale bepa„lingen der wet van Pluviose III, en dat dus eene „aangifte ten kantore der Registratie niet verpligtend was.

„Verklaart goed en van waarde het verzet. „Vernietigt het dwangschrift."

Twee redenen zijn er, waarom de regtbank te 's Bosch in casu den notaris vrijstelde van de boeten, die het Bestuur der Registratie van hem vorderde wegens overtreding van artikel 2 der Wet van 22 Pluviose VII.

Vooreerst, omdat de door hem gehouden verpachting, niet alieen was om het grasgewas in te oogsten, maar bovendien om het volle genot der landerijen gedurende den huurtijd, in allen opzigte te hebben, en dat hier dus geen sprake was van zoodanige verpachting als artikel 12 u. 2 der Wet van 16 Junij 1832 bedoelt.

Hoewel deze overweging op zich zelve er reeds meer dan voldoende toe zou kunnen leiden om de vordering van boete af te wijzen, 200 wordt er in de tweede plaats en ten allen overvloede, in de laatste overweging van het vonnis nog gezegd, dat er ook geene aangifte zou noodig zijn, voor zoodanige verpachtingen als de Wet van 16 Junij 1832 bedoelt, omdat die wet alleen de belasting regelt, en de poenale bepalingen der wet van Pluviose niet bij analogie op haar zouden mogen toegepast worden.

De regtbank neemt dus aan:

lo. Dat artikel 12 no. 2 der Wet van 16 Junij 1932 bedoelt: verpachtingen, alleen om grasgewas in te oogsten.

20. Dat voor die verpachtingen het doen van voorloopige aangiften achterwege kan blijven.

30. Dat in casu zelfs het eerste geval niet aanwezig was, maar de acten in kwestie eene zuivere verpachting ten onderwerp hadden.

Of eene acte van verpachting al of niet in de ter

« EdellinenJatka »