Sivut kuvina
PDF
ePub

men der Wet van 16 Junij 1832 zal vallen, hangt in de eerste plaats natuurlijk af van de bewoordingen waarin zij is vervat, maar in de tweede plaats, vooral ook daarvan, of, hetgeen partijen, volgens het onderlinge verband van de verschillende voorwaarden van hun contract, werkelijk verrigt hebben, niet met die bewoordingen in strijd is; -- anders zouden deze al zeer weinig afdoen.

Men zou in eene acte, bijvoorbeeld, kunnen verklaren dat een perceel land verhuurd werd om den huurder daarvan, van 1 April tot 1 November het volle genot te doen hebben, maar hem later, bij de voorwaarden van het contract, de bevoegdheid ontnemen om gedurende den huurtijd iets anders te doen dan het wassende gras in te oogsten, hetzij eens, twee- of driemaal; de acte zou zeer zeker zijn aan te merken als verpachting, alleen om het gewas in te oogsten, en dus volgens de Wet van 16 Junij 1832 met verkoop gelijk staan.

Legt men daarentegen den huurder den last op om zijn gehuurde land behoorlijk af te rekken, de slooten schoon te houden, of voegt men aan het contract andere bepalingen toe, die het wettigen als zuiver huurcontract, dan zal men moeijelijk kunnen aannemen dat de verpachting in de termen der wet van 16 Junij 1832 valt.

Dat dit laatste met de onderwerpelijke acten het geval, en de vordering van boete daarom ongegrond was, wil ik met de Regtbank gaarne aannemen.

Ik wil echter eens wat van naderbij beschouwen hetgeen in de laatste overweging van het vonnis gezegd wordt, namelijk, dat de verpligting tot het doen van aangifte alleen zou bestaan voor verkoopingen van hetgeen in artikel 1 der wet van 22 Pluviôse VII opge

XVIU DI.

rne &

AIC

noemd wordt, en niet voor de verpachtingen, die de wet van 16 Junij 1832 met verkoopingen gelijk stelt.

Wat zou het gevolg kunnen zijn wanneer men dezen regel in toepassing brengt?

De notaris A. gaat ten verzoeke van B., over tot de publieke verpachting voor den tijd van drie maanden van een bosch, waarin zich honderd op stam staande eikenboomen bevinden, ten einde die boomen te vel. len; hij is op grond van het vonnis der Regtbank van 's Hertogenboseh van het doen van aangifte vrijgesteld; de ambtenaar der Registratie kan zich niet vergewissen of die boomen werkelijk ter plaatse groeiden of gegroeid zijn, dan of zij misschien van andere plaatsen naar dat bosch zijn henengevoerd; hij weet dus evenmin of de gunstige bepaling van artikel 12 der Wet van 16 Junij 1832, waarbij het registratieregt voor verkoopingen van onvervoerd houtgewas op de helft wordt gesteld, door hem teregt of ten onregte in toepassing gebragt wordt.

Dezelfde notaris gaat op 1 Junij over tot de verhuring van een perceel land voor den tijd van eene maand, ten einde het daarop reeds gegroeide hooigewas in te oogsten; geene aangifte zou noodig zijn.

Verhuringen van kersen-boomgaarden, van landerijen tot inoogsten van tiendgewas, zouden allen in hetzelfde lot deelen, en het zou zijn alsof men alleen aangifte moest doen voor verkoopingen van de in artikel 1 der Wet van Pluviôse genoemde, meubles, effets , marchandises ; omdat de daargenoemde, bois, fruits, récoltes, onder den titel van verpachting altijd onder de toepassing der Wet van 16 Junij 1832 zouden te brengen zijn. Het zou in één woord den ambtenaar met de verkooping belast, vrijstaan om geene aangifte meer te doen, wan

van

neer hij zijn procesverbaal eenvoudig den naam van verpachting gaf.

Die toestand zou den notaris, vooral op het platteland, waar de bedoelde acten somtijds het grootste deel van zijne praktijk uitmaken, het leven veel veraangenamen, het zou hem ontslaan van menige lastige en toch slechts voor den vorm ingediende, aangifte, en misschien dientengevolge tevens van het opmaken van menig procesverbaal van verkoopingen, zóó gering, dat de rijke Nederlandsche Schatkist het nadeel weinig zou gevoelen.

Ik twijfel dan ook niet of men zal het geleerde bij genoemd vonnis ijverig in toepassing gaan brengen en de verkoopingen zonder aangifte zullen aan de orde van den dag komen.

Wanneer men vraagt of de Schatkist daardoor zal benadeeld worden, dan geloof ik dat men kan antwoorden van ja; ten minste wanneer men van de onderstelling durft uitgaan, dat de Wet van Pluviôse, wier eenige doel is om de betaling der registratieregten van verkoop van roerende goederen te verzekeren, niet zonder eenige bedoeling het doen van aangifte heeft voorgeschreven, maar dat de Wetgever daardoor den ambtenaar van de Registratie de gelegenheid heeft wil. len geven om zich van het behoorlijk op het procesverbaal brengen van de voorwerpen als andersints te verzekeren. Mogt hij van die gelegenheid al geen menigvuldig gebruik maken, toch zal het gevoel van nagegaan te kunnen worden voor menigeen een gewenschte prikkel tot eerlijkheid zijn.

Evenwel, wanneer de bestaande wetten dien toestand voorschrijven of liever gedoogen, dan kan de redenering

wier

van

dat de Schatkist mogelijk benadeeld zal worden , natuurlijk niets ter zake afdoen en men moet liever naar middelen omzien, om eene betere Wet in het leven te roepen.

Maar ik geloof dat de overweging van de Regtbank van 's Bosch onjuist is, en de toestand, dien zij daardoor schept, strijdig met de Wet; – ik heb daarvoor de volgende gronden :

Ik denk mij een oogenblik den tijd terug, voordat de Wet van 16 Junij 1832 in werking was. Hoe was toen de stand der zaken ?

Even als nu, gold voorzeker ook toen de regel : Non quod scriptum, sed quod gestum, inspicitur plus valere : en partijen konden door aan hun contract van verkoop eene valsche benaming te geven, dit evenmin tot een contract van verpachting maken als nu.

Werd er dus een perceel land verpacht, enkel om het daarop staande gras in te oogsten, dan kon men dit contract niet anders dan als verkoop beschouwen, en al de vormen, die de Wet van Pluviôse voorschrijft, moesten ten zijnen opzigte in acht genomen worden.

Deze leer is in Frankrijk ook steeds gehuldigd, onder anderen bij een vonnis der Regtbank te Verviers , van 2 April 1833, waarbij wordt aangenomen : „L'ad„judication aux enchères, d'herbes sur pied , faite à „l'époque de la maturité des herbes, est une vente de „récoltes, quoiqu'elle soit qualifiée de bail avec limita„tion de durée, et doit être, sous peine d'amende, „précédée de la déclaration, prescrite par la loi du 22 Pluviôse an VII.”

En heeft nu de Wet van 16 Junij 1832, hier te lande in dien toestand verandering gebragt? Heeft die Wet in de cursijf alinea van artikel 12 no. 2, werkelijk

ten doel gehad om iets, dat eigentlijk verpachting was, te belasten alsof het verkoop ware ?

Integendeel, die wet heeft niets anders gedaan dan uitdrukkelijk vastgesteld, hetgeen facto reeds bestond , en hare strekking was niet, zooals de Regthank aanneemt, alleen de regeling der hoegrootheid van de heffing, maar, zooals dit in de motieven van de wet staat geschreven, tevens verduidelijking en vereenvoudiging van de bestaande bepalingen; dientengevolge durf ik aannemen, dat het doel des wetgevers met meergenoemde curcijfalinea niet anders geweest is, dan om zich te onttrekken aan het gevaar, dat het eene of andere regterlijke collegie misschien zou kunnen goedvinden om te beslissen, dat hetgeen partijen in hunne acte, verpachting verkiezen te noemen, ook voor de fiscale wet als zoodanig beschouwd moet worden.

Ik geloof dat men ook hier, evenals dit bij de toepassing der fiscale wet altijd moet gebeuren, aan de burgerlijke wet zal moeten vragen, van welken aard het contract is, waarvan de belasting moet betaald worden. Is dit, volgens de burgerlijke wet, verpachting, dan kan het voor de fiscale wet niet als verkoop beschouwd worden; maar zegt de burgerlijke wet dat een contract werkelijk verkoop is, dan zullen ook al de bepalingen, zoowel die van het tarief als van poenaliteit, welke de fiscale wet voor verkoopingen vaststelt, daarop van toepassing zijn.

Naar mijn gevoelen blijft het doen van aangifte dus steeds noodig voor alles wat volgens het burgerlijk regt, publieke verkoop van roerend goed is, onverschillig de benaming die aan de overeenkomst mag gegeven zijn.'

« EdellinenJatka »