Sivut kuvina
PDF
ePub

HUURCONTRACT, OMSCHREVEN IN EENEN

NOTARIËLEN INVENTARIS.

Wanneer in eene notariële acte van boedelbeschrijving, onder de titels en papieren omschreven wordt een huurcontract van onroerende goederen, door den overledene wiens boedel omschreven wordt met een der rekwiranten tot die beschrijving voor het leven aangegaan, kan dan registratieregt van zoodanig huurcontract gevorderd worden?

Het geval waarin zich bovenstaande vraag voordeed, was het volgende:

In eene notariële acte van boedelbeschrijving den 8stea December 1862 opgemaakt van de nalatenschappen der echtelieden P. D. en N. B. overleden, de eerste 6 Februarij 1861, de laatste 27 November 1862, werd onder de titels en papieren het navolgende contract omschreven :

„Huurcontract geteekend 26 Mei 1860, waarbij door „de erflaters P. D. en N. B. zijn verhuurd aan C. D. „(medeërfgenaam en mederekwirant tot de boedelbeschrij„ving), een boerenplaats met erf en tuin, boomgaard , „diverse perceelen weiland en bosch te T... groot 21 „bunders, 87 roeden, 80 ellen, sectie B no. 45, 46, „, 24, 25, 26 en sectie C no. 13, 14, 15, 71, 92, „93, 94-95, en een perceel weiland te M. sectie B „no. 246, groot 2 bunders, 50 ellen, onder meerde„ren, op de volgende voorwaarden :

„Deze huur zal eindigen bij — en alzoo voortduren tot „het overlijden van den langstlevende der verhuurders „P. D. en N. B. met dien verstande, dat de huur der „landerijen zal eindigen den 24 December volgende op „het overlijden van den langstlevende der verhuurders, „en over de huismanswoning, erf en boomgaard den „ Mei volgende op het eindigen van de huur der „landerijen.”

Naar mijn gevoelen gaf deze inventaris aanleiding, om het regt van huur ad 4% over 10maal den jaarlijkschen huurprijs op het daarin omschreven huurcontract te vorderen. Ik grondde dat gevoelen op de navolgende overwegingen:

Artikel 13 der wet van 22 frimaire VII, bepalende: „La jouissance à titre de ferme, ou de location, ou „d'engagement d'un immeuble, sera aussi suffisamment „établie pour la demande et la poursuite du paiement „des droits des baux ou engagements non enregistrés, „par les actes qui la feront connaitre, ou par des „paiements de contributions imposées aux fermiers, locataires et détenteurs temporaires,” is niet vervallen door de latere wetten van 31 Mei 1824, 16 Junij 1832 en 3 October 1843, zoodat schriftelijke huurcontracten van vast goed, voor het leven aangegaan, bij voortduring aan voormeld registratieregt onderworpen blijven, onverschillig of zij in authentieken of in onderhandschen vorm zijn opgemaakt, en in het laatste geval bovendien aan evenredig zegelregt.

Of dat artikel in casu van toepassing is, hangt af van de volgende gegevens

XVIII DI.

10. Het huurcontract moet zijn schriftelijk (zie WODON $ 146. CHAMP. en Rig. 121–124. 3086.).

20. Het bestaan moet blijken door eene andere acte. 30. Het huurcontract moet niet geregistreerd zijn..

Dit alles is hier aanwezig, althans met bescheidenheid meen ik dit te kunnen aantoonen.

Het huurcontract wordt gezegd geteekend te zijn den 26 Mei 1860; deze uitdrukking kan alleen een schriftelijk contract gelden.

Wijders wordt het huurcontract in questie vermeld onder de „titels en papieren ;" uit welk een en ander ik vermeen te mogen besluiten, dat noch zedelijk, noch in regten het bestaan van een schriftelijk contract kan worden betwijfeld, evenmin als dat dit bestaan resulteert en blijkt uit den bewusten inventaris.

Het tweede vereischte ontbreekt evenmin, daar toch een inventaris als acte geldt, die de enunciatie van het huurcontract niet kan doen, zonder het Bestuur der Registratie de magt te geven, artikel 13 in te roepen. Wodon § 147. CAMP. 3089.

Wat eindelijk het derde punt aangaat, ik kende geene registratie van het bewuste huurcontract en moet het er dus, behoudens tegenbewijs, voor houden, dat het niet geregistreerd was.

Zooals iedere zaak zijn voor en tegen heeft, durf ik mij niet ontveinzen, dat ook hier gewigtige bedenkingen tegen de vordering van het regt van huur waren aan te voeren. Ik stelde mij onder anderen de navolgende drie hoofdbedenkingen.

Vooreerst:

Het regt is verschuldigd op 10maal „le prix et les charges annuels” (art. 15 no. 3 der wet van 22 Fri

r waren

maire VII); - op het leven van hoeveel personen, en op wie, doet niet ter zake. Doch die huurprijs is hier onbekend, en bereids. omtrent artikel 12 der wet van 22 Frimaire VII leert CHAMPIONNIÈRE no. 1721: „or l’exis„tence de l'acte ne pouvait être établie sans que l'on „en connût le contenu , et par conséquent la nature „etc.” Ik kan inmiddels die zienswijze niet deelen, dan alleen voor zooverre betreft de verpligting om den hoofdinhoud der acte, den aard der overeenkomst te kennen. Dat hier eene schriftelijke overeenkomst van huur voor het leven van vast goed bestaat, neem ik voorloopig als bewezen aan. Partij heeft dit zelf in den inventaris verklaard.

Tot het wezen dier overeenkomst behoort, naar artikel 1584 B. W. (wat partij geacht wordt te kenren), een huurprijs. Partij zal alzoo later niet gemakkelijk of liever in het geheel niet, het bestaan van een huurprijs in de bewuste geschrevene overeenkomst kunnen ontkennen, want in dit geval zoude zij hare eigene denominatie, „huurcontract,” verloochenen; - geen huurcontract toch zonder huurprijs. Ik geloof wijders, dat het Bestuur der Registratie hier even goed ambtshalve den huurprijs kan begrooten, als den koopprijs , (waarop ook het regt verschuldigd is, en niet op de koopwaarde), bij een verzwegen eigendomsovergang, (zie van HOIJTEMA, Ophelderingen § 114); mits aan partij slechts de bevoegdheid worde toegekend, om op te komen tegen die berekening door productie der schriftelijke acte, waaruit een andere huurprijs blijkt, evenzeer als het Bestuur der Registratie zich de bijvordering reserveert van wat alsdan nog meerder mogt blijken verschuldigd te zijn.

De tweede bedenking die bij mij opkwam, is deze : Al is het bestaan van een schriftelijk huurcontract be. wezen, is daardoor dan genoeg bewezen ?

Speciaal; – gaat artikel 13 niet uit van de hypothese, dat het bestaan zal kunnen worden bewezen van een schriftelijk onderhandsch huurcontract?

Aangenomen toch, dat het bestaan van een schriftelijk huurcontract is bewezen, is dan de veronderstelling onmogelijk, dat hetzelve notariëel kan zijn?

Eerstens, dat het huurcontract zelf in den boedel werd gevonden, is met een notariëel huurcontract te rijmen, want de notaris redacteur kan het in strijd met artikel 38 der wet van 9 Julij 1842 in brevet hebben opgemaakt, of wel hetzelve in strijd met artikel 41 dier wet, ofschoon minuut, uit zijne handen hebben gegeven. De overtreding dier bepalingen is denkbaar, zoo zelfs, dat die van artikel 38 door eene strafbepaling gesanctionneerd is. Tweedens, dat de notaris alsdan bovendien de artikelen 20, 41 en 49 der registratiewet zou hebben moeten overtreden, maakt de gedachte hy. pothese evenmin onzinnig, want de wet veronderstelt alwederom, dat de overtreding dier artikelen gebeurlijk is; - van waar anders de strafbepaling in artikelen 33, 41 en 49 ?

Luidde nu artikel 13 der wet van 22 Frimaire, jaar VII, even als artikel 12, dat is: was ook in het eerst de persoon aangewezen, die vervolgd moest worden bij het bewijs van het bestaan van een geschreven contract van huur, dan was die veronderstelling zonder gewigt: nu mag daaraan welligt een practicale moeijelijkheid worden verbonden geacht. Immers de vordering tegen den huurder steunt nu op artikelen 22, 29, 31 en 38 der wet van 22 Frimaire, doch dit kan alleen in de

« EdellinenJatka »