Sivut kuvina
PDF
ePub

hypothese, dat de acte is onderhandsch. (Champ. 3838. Wodon 337). Ware de acte notariëel, dan moest regt en dubbelregt naar artikelen 20, 29 en 33, van den notaris worden gevorderd.

Tegen dit alles valt echter aan te voeren, dat, ook naar het gevoelen van Champ. en RIGAUD, no. 3838, il résulte implicitement des termes de l'article 13, que „la poursuite des droits sera rédigée contre ceux qui jouisssent à titre de ferme.” Wordt alzoo volgens deze schrijvers aan artikelen 12 en 13 een gelijken geest toegekend, dan geloof ik, dat de actie, bedoeld bij artikel 12, ook kan worden ingesteld contre le nouveau possesseur, wanneer de geheime overgang van vast goed geschied is door middel eener notariële, noch geregistreerde noch gerepertoriëerde acte.

De derde bedenking, die de vordering van het regt zou kunnen in den weg staan is deze:

Al is het bestaan van een schriftelijk huurcontract van vast goed voor het leven bewezen; - al is bewezen, dat dit contract is onderhandsch, en al kan men de hoegrootheid van den huurprijs aantoonen ; al zijn deze bewijzen geleverd, door middel eener notariële acte van boedelbeschrijving, is daarmede dan nog genoeg bewezen? Speciaal; – moet die notariële acte ook niet het genot der huurders bewijzen ?

Eene enkele lezing van artikel 13 der wet zou van deze vraag eene levenskwestie voor de geheele vordering maken, en welligt behoort, onder de oppositiemiddelen, dit middel tot de sterksten en deugdelijksten.

Het artikel toch luidt: „La jouissance à titre de „ferme, ou de location, ou de l'engagement d'un im„meuble, sera, aussi suffisamment établie, pour la de„mande et la poursuite du paiement des droits des „baux ou engagements non enregistrés par les actes „qui la feront connaître, ou par des paiements de „contributions imposées aux fermiers, locataires et dé„tenteurs temporaires."

Zal nu de inventaris basis zijn der vordering, wat moet dezelve dan doen kennen? „La jouissance à titre de ferme d'un immeuble," maar voortspruitende uit „un bail non enregistré,” dat is een schriftelijk huurcontract. De acte moet alzoo volgens de wet een feit doen kennen, - het werkelijk genot der huurders. Doet de acte alleen dat contract kennen, dan is daardoor dat feit nog niet bewezen. Dat feit toch, — het werkelijk genot der huurders, alleen mogelijk als de verhuurder voldoet aan zijne verpligting, vermeld in artikel 1586 no. 1 B. W., – volgt evenmin uit het bewijs van het bestaan van het contract, als dat daaruit volgt, bijvoor. beeld, dat de huurprijs reeds betaald is, (art. 1596 no. 2, B. W.)

Het gezond verstand maakt die stelling tot een axioma, en artikel 1302 B. W. wettigt de bewering, dat het bewijs van het bestaan van een contract geheel iets anders is, dan het bewijs van deszelfs naleving en uitvoering.

Is alzoo de tekst der wet, althans bloot woordelijk beschouwd, niet gunstig voor de vordering, noch de schrijvers, noch het Bestuur der Registratie schijnen evenwel aan dat bezwaar, op grond van den geest der wet, veel te hechten. Immers Merlin R. voce enregistrement no. 28, Champ. en RIGAUD, no. 3089, 3090 en 123, suppl. 851, P. W. 1427 en 3877, overal wordt gezegd, òf blootelijk, dat het bestaan der schriftelijke huurovereenkomst moet bewezen zijn, òf wel, dat bovendien het genot der huurders moet bewezen zijn, zonder toevoeging, in dit laatste geval, dat het bewijs van het .genot in den inventaris moet zijn opgesloten.

Trouwens het „lex dura, sed ita scripta” hier in te roepen, ware ook ten deze de voorliefde voor de letter der wet wat te ver gedreven, omdat schier geen enkel huurcontract het bewijs inhoudt, dat de verhuurder heeft voldaan aan zijne verpligting tot ingenotstelling van- en levering aan den huurder.

Werd nu het huurcontract zelf, dat alleen het be. staan dier verpligting behelsde, zonder het bewijs, dat dezelve is nageleefd, ja wat meer is, het huurcontract zelf, dat van die verpligting zweeg, (welke verpligting naar luid van art. 1586 B. W. en zonder dat daartoe eenig bijzonder beding vereischt wordt toch evenzeer bestaat), ter registratie aangeboden, dan ware regt en, bij de te late aanbieding, ook dubbel regt verschuldigd.

Maar als datzelfde huurcontract bij een inventaris niet slechts erkend wordt te bestaan, maar verbaliter daarin is gecopiëerd, dan zoude die enunciatie de heffing der regten en boeten niet wettigen, omdat de inventaris niet tevens het bewijs bevat van de uitvoering der huurovereenkomst van de zijde der verhuurders, en van de in bezitneming van de zijde der huurders.

En wil men nu ook al aannemen, dat deze beschouwing geheel is de jure constituendo, dat alzoo de bewering niet kan opgaan, dat het bestaan van het genot der huurders niet behoeft te worden bewezen; dan is er misschien toch plaats voor het admitteeren dezer transigerende bewering, dat het genot der huurders , het feitelijk bezit, de uitvoering der overeenkomst wèl moet worden bewezen, maar dat dit bewijs door alle regtsmiddelen kan bewezen worden.

In casu zou het weinig moeite gekost hebben om het feitelijk genot der huurders door een overvoldoend getal getuigen te bewijzen.

Na te hebben medegedeeld, waarop ik mijne vordering van registratieregt op het aangehaalde huurcontract, grondde, wil ik u de beschouwingen van een zeer geacht regtsgeleerde over de zaak mededeelen, zooals die vervat zijn in een rekwest, door hem namens partijen aan den Minister van Financiën ingediend, en de gronden waarop hij de vordering onjuist vindt.

De overwegingen in dat rekwest betreffen het regt, de feiten en de aansprakelijkheid.

Wat betreft het regt :

Dat bij de wet van Frimaire, artikel 22, is bepaald een termijn van registratie voor alle huurcontracten van drie maanden, waartegen, in geval van verzuim, bij artikel 38 is bedreigd de straf van dubbelregt.

Dat de evenredige betaling van registratie op onderhandsche huurcontracten is afgeschaft bij artikel 6 der wet van 31 Mei 1824 (Stbl. no. 26) en vervangen door een evenredig regt van zegel, terwijl bij artikel 24 dierzelfde wet, de termijn van registratie is afgeschaft voor de onderhandsche huurcontracten, behalve die voor het leven of voor onbepaalden tijd, en het regt van registratie van huurcontracten bepaald op f1,60, daaronder alle onderhandsche huurcontracten begrepen, hetgeen doet veronderstellen of tot het besluit komen, dat de onderhand-sche huurcontracten voor het leven of onbepaalden tijd, als niet bijzonder getarifiëerd, sints die wet aan het vast regt van f 0.80 zijn onderworpen.

Dat, wanneer men dit niet aanneemt, het allerongerijmdst gevolg van de wet van 1824 ontstaat, dat, sedert die wet, de onderhandsche huurcontracten voor het leven of voor onbepaalden tijd zouden onderworpen geweest zijn aan eene dubbele evenredige belasting, die van het zegel en die der registratie, de notariële van dien aard daarentegen slechts aan de laatste; een gevolg, dat niet alleen strijdt met de beginselen der fiscale wetgeving, maar gelijk zoude staan met een verbod van dergelijke onderhandsche huurcontracten.

Dat de zienswijze van den adressant ten zeerste wordt bevestigd door artikel 15 van het koninklijk besluit van 31 Mei 1824 (Stbl. no. 37), waarbij wordt verwezen naar artikel 6 der wet van 1824, in welk artikel alle onderhandsche huurcontracten, die voor bepaalden tijd, zoowel als die voor onbepaalden tijd en voor het leven zijn opgenoemd.

Dat de wet van 16 Junij 1832 in dezen regtstoestand in zoo verre verandering heeft gebragt, dat de bepalingen van artikel 22 der wet van Frimaire zijn vervangen door de artikels 1 en 2 dier wet, zoodat, na die wet, onderhandsche huurcontracten voor een bepaalden tijd aangegaan en op behoorlijk zegel geschreven, binnen drie maanden gratis worden geregistreerd, en, na dien termijn, voor het registratieregt op eene notariële acte verschuldigd.

Dat er strijd kan bestaan, of door genoemde artikelen, artikel 22 der wet van Frimaire, en derhalve de verpligte termijn van registratie voor huurcontracten voor het leven en voor onbepaalden tijd, is opgeheven, gelijk

« EdellinenJatka »