Sivut kuvina
PDF
ePub

mogen koopen dan door tusschenkomst des eischers, hét door den eischer geposeerde, dat hij schade heeft geleden, genoegzaam consteert om eene veroordeeling der gedaagden tot schadeloosstelling, nader bij staat op te maken, uit te spreken;

Gezien artt. 1278, 1374, 1378, 1905 B. W., 612 en volg., 586, 52 en 56 B. R.;

Verwerpt de door de gedaagden voorgestelde nietontvankelijkheid der ingestelde actie;

Veroordeelt de gedaagden om, wegens het, in strijd met hunne verbindtenis, tegenover der eischer aangegaan bij acte, tusschen hen en den eischer gepasseerd den 13 Julij 1865 voor den notaris G. J. C. van Vianen en getuigen, behoorlijk geregistreerd, doen van zaken in meel onder de firma „Wilson en de Veer”, met de meelfabrikanten Verwey en Elsberger te Grieth, en met het koopen en ontvangen van 630 balen meel of tarwebloem, elk van 100 kilo, aan den eischer te vergoeden alle kosten, schaden en interessen, door den eischer ten gevolge van deze hunne wederregtelijke han. deling gehad en geleden of nog te hebben en te lijden, nader op te maken bij staat;

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en bij lijfsdwang;

Veroordeelt de gedaagden in de kosten.

(Gepleit voor den eischer Mr. Cosman, en voor de gedaagden Mr. J. A. MOLSTER).

§ 26. Eene beschikking in een huwelijks-contract, geslo

ten onder vigeur van den Code Napoléon, waarbij de rentegevende schuldvorderingen met onroerende goederen worden gelijkgesteld, behelst eene afwijking van de bij dit wetboek bepaalde wettelijke gemeenschap van goederen.

Eene beschikking in een huwelijks-contract, gesloten onder vigeur van den Code Napoléon, aldus luidende: bij kinderlooze ontbindingen van dit hu. welijk door het afsterven van den bruidegom, zal aan de overblijvende bruid diens geheel mobilair vermogen en de helft van zijn immobilair vermogen in eigendom en de andere helft vån dit immobilair vermogen in vruchtgebruik verblijven, en de gezamenlijke den bruidegom toebehoorende rentegevende vorderingen zullen alsdan als immobilair vermogen betracht worden ," geeft aan de erfgenamen van de vrouw, die na haren man zonder kinderen gestorver is, aanspraak op alle roerende goederen, op de helft van de onroerende goederen en van de helft der rentegevende vorderingen, die de man op den dag van zijn huwelijk hezat of gedurende het huwelijk bij erfenis of donatie verkregen heeft, en op de helft der onroerende goederen en rentegevende vorderingen, die aan den man uit de gemeenschap zijn

toegedeeld. Het Provinciaal Geregtshof van Limburg (Burgerlijke Kamer) wees in de zitting van den 5 Maart 1866, onder praesidium van Mr. R. I. E. Capitaine, het volgende arrest in zake : 1o. F. H. Tauwel, medicinae doctor te Breyel; 20. J.

V. A. Tauwel, regerings-secretaris te Dusseldorp; en 30. F. A. H. Tauwel, geheimregeringsraad te Keulen, appellanten, procureur Mr. E. VAN OPPEN,

tegen de weduwe Collaes te Venlo, geïntimeerde, procureur A. Sassen,

en tegen C. H. Bishardt en M. T. F. J. van Wessem te Venlo,

medegeïntimeerden, procureur Mr. J. L. G. L. P. Haex,

en tegen de echtelieden Thieman en de weduwe Heitzer, mede

geïntimeerden, te Venlo, procureur Mr. J. L. G. L. P. Haex.

Het Hof enz.,
Gehoord de gehouden pleidooijen;
Met opzigt tot de daadzaken en gevoerde proceduren :

Overwegende, dat tusschen partijen vaststaat, dat, onder het beheer van den Code Civil Napoléon, in 1821, te Wachtendonk in de Pruissische Rijn-provincie zijn getrouwd H. P. Heutz en J. A. Tauwel, na vooraf bij acte, verleden voor den notaris Kochs, te Stralen, te hebben bedongen de volgende huwelijksche voorwaarden: art. 1, de comparanten verspreken den toekomstigen echt, zoodra mogelijk, wettiglijk en kerkelijk te laten voltrekken; art. 2, de comparanten kiezen onder zich de wettige goederen-gemeenschap; art. 3, dat, ingeval deze toekomstige echt door den dood van den eenen of anderen, met achterlating van een of meer kinderen, ontbonden wordt, de overlevende een vierde deel van het geheel vermogen des vooraf gestorvene en XVIII DI.

30

een ander vierde deel in levenslang vruchtgebruik zal bekomen; art. 1, dat, bij kinderlooze ontbinding van dit huwelijk, door het afsterven van den bruidegom, aan de overlevende bruid diens geheel nobilair vermo. gen, zoo als ook de helft van diens immobilair vermogen in eigendom en de andere helft van zijn immobilair vermogen in levenslang vruchtgebruik zal verblijven, en dat de gezamenlijke den bruidegom toebehoorende rentegevende vorderingen, in dit geval, als immobilair vermogen zullen betracht worden; art. 5, dat, bij kinderlooze ontbinding van het huwelijk, door het vooraf sterven der bruid, aan den overlevenden bruidegom het door haar ingebragte mobilair vermogen en uitstaande gelden alleen en met uitzondering van haar geërfde of in de toekomst nog te erven vermogen zal verblijven ; — dat uit dit huwelijk geene kinderen zijn geboren, dat de man de eerste en daarna de vrouw is overleden ; en dat de appellanten, als broeders der vrouw sleutz, hare wettige erfgenamen zijn, en dat de geappelleerden zijn de representanten van den man Heutz;

O., dat, bij vonnis der Arrond.-Regtbank te Roermond dd. 31 Maart 1864, tusschen de belanghebben. den is bevolen de scheiding en deeling der goederen , uitgemaakt hebbende de wettelijke gemeenschap, tusschen de genoemde echtelieden bestaan hebbende, verder de scheiding en deeling der goederen van ieder derzelve af zonderlijk, en eindelijk de scheiding en deeling der goederen, nagelaten door P. F. van Wessem, met benoeming van den notaris Thiessen, te Venlo, om tot de bevolen scheidingen en deelingen over te gaan, aanwijzing van eenen onzijdigen persoon om de niet-verschijnende partijen te vertegenwoordigen, en be

paling van den dag, waarop partijen voor den benoemden notaris te verschijnen hadden ; dat, voor den notaris Thiessen te Venlo verschenen, de erfgenamen van de vrouw en die van den man Heutz het niet eens hebben kunnen worden over het aandeel, dat in de te verdeelen gemeenschap en in de personele goederen van den man aan de erfgenamen van de vrouw Heutz toekomt, en tevens tusschen de erfgenamen van den man Heutz onderling moeijelijkheden zijn ontstaan, en dien ten gevolge deze geschilpunten aan de beoordeeling der Arrond.-Regtbank te Roermond zijn onderworpen; dat voor de Arrond.-Regtbank te Roermond de erfgenamen van de vrouw Heutz hebben volgehouden, dat, krachtens de huwelijksche voorwaarden der echtelieden H. P. Heutz en J. N. A. Tauwel, hun toekomt: 10. vier achtste in de eigen onroerende goederen van wijlen H. P. Heutz; 20. 24/32 deelen in de onroerende goederen der gemeenschap, die tusschen de echtelieden bestaan heeft; 30. 24/32 deelen van al de rentgevende kapitalen ;

dat deze beweringen door eenige der erfgenamen van den man Heutz zijn tegengesproken, en door hen verder is beweerd, dat uit meergemelde huwelijksche voorwaarden volgt: 10. dat de aan wijlen H. P. Heutz toebehoord hebbende rentegevende vorderingen, even als zijne onroerende eigendommen, aan zijne erfgenamen verblijven , na korting van de helft van de eene en andere goederen ; 20. dat alle mobiliën, met uitzondering van de zoo even aangeduide geïmmobiliseerde rentegevende vorderingen, aan de weduwe Heutz competeren; en 30. dat de acquesten in het huwelijks-contract niet begrepen zijn en, naar het gemeene regt, regelende de wettige gemeenschap, in twee helsten dienen ver

« EdellinenJatka »