Sivut kuvina
PDF
ePub

deelen der inededeelgenooten en dus ook van de oppo. sante zijn vastgesteld in het onzuiver bedrag van den verdeelden boedel, niettegenstaande H. M. in derde huwelijk met de opposante was gehuwd.

Deze vraag lost zich op in eene van zuiver burgerlijk regt, welke opposante thans wil onderzoeken.

De gemeenschap in eerste huwelijk omvat, wat hare lasten betreft, al de schulden, door ieder der echtgenooten, hetzij vóór hetzij staande huwelijk gemaakt, voor 200 verre daaromtrent bij huwelijksvoorwaarden geene andere bepalingen gemaakt zijn, – dit is het duidelijke voorschrift van art. 176 en 174 B. W.

In eerste huwelijk kan er alzoo geene quaestie zijn of ieder der echtgenooten moet in de schulden dragen.

Nu bepaalt art. 235 B. W. dat ook in tweede en verder huwelijk van regtswege algeheele gemeenschap van goederen bestaat tusschen de echtgenooten, zijnde dezelfde woorden, welke door den wetgever zijn gebezigd ten aanzien van de gemeenschap bij eerste huwelijk.

Naar de meening van opposante, volgt hieruit zoo duidelijk mogelijk, dat ook de schulden bij tweede en verder huwelijk even als bij eerste huwelijk gemeen zijn. Eene andere uitlegging is in strijd met de wet, en is, voor zoo verre opposante bekend is, nog door niemand dan het gedaagde bestuur gegeven, terwijl het gevoelen van opposante wordt gedeeld door Mr. J. S. VERNÈDE in zijne handleiding tot de Ned. Wetgeving) die bij art. 236 B. W. aanteekent: „Het aandeel van ieder „der echtgenooten in de schulden der gemeenschap „staat in evenredigheid tot derzelver aandeel in de „baten."

Het gedaagde bestuur meent dat de bepaling van art. 235 B. W. wordt beperkt, in geval er voorkinderen zijn, door art. 236 B. W.

Het bestuur sustineert: „dat het gedeelte, waarmede „de tweede echtgenoot, door de vermenging van goede„ren en schulden mag worden bevoordeeld, niet is een „vast evenredig deel in de nalatenschap des hertrouw„den echtgenoots, belast met een gelijk evenredig deel „in de schulden, waar een deel ten beloope van zekere „som, van de som namelijk, welke het minst bevoor„deelde van de voorkinderen uit den boedel geniet, dat „is zuiver verkrijgt. Hetgeen die som te boven gaat, „valt volgens dat artikel ten voordeele der nalatenschap. „Valt dit alles ten voordeele der nalatenschap, dan „moeten ook noodwendig al de schulden der gemeen„schap ten laste van de nalatenschap blijven.”

Tot dus ver de bewering van het gedaagde bestuur, hetwelk het bewijs voor zijne stelling put uit art. 236 B. W.

Dit artikel pleit echter geheel voor de meening van opposante.

Reeds dadelijk vindt men in de woorden: „vermenging van goederen en schuldeneene bevestiging van de juistheid der meening , dat de schulden gemeen worden.

Hoe nu iets tusschen verschillende personen gemeen is en toch bij verdeeling een der deelgenooten daarvan geen gedeelte zoude moeten dragen is voor opposante onbegrijpelijk.

Het voordeel van den nieuwen echtgenoot mag niet meer zijn dan ten beloope van het minste deel, hetwelk een der voorkinderen geniet, en zonder dat dit voordeel immer het een vierde des boedels van den hertrouwden echtgenoot mag te boven gaan.

Vruchteloos zoekt men in dit artikel eene bepaling gelijk het bestuur die vindt: dat het aandeel van den nieuwen echtgenoot gelijk staat met eene som.

Er wordt hier gesproken van een kindsgedeelte, van een vierde deel. Even vast en evenredig als het aandeel der kinderen in den gemeenschappelijken boedel is, even vast, en evenredig is het aandeel van den nieuwen echtgenoot.

Dat dit aandeel niet alleen moet worden berekend in het saldo, maar in den geheelen boedel van den hertrouwden echtgenoot, blijkt uit het met art. 236a bijna gelijkluidende artikel 949 B. W., waarin voorkomt: „dat de beschikking van den hertrouwden echtgenoot ten behoeve van zijne nieuwe echtgenoot niet mag te boven gaan het een vierde gedeelte van zijne goederen," en onder goederen zal men wel even min als onder boedel kunnen verstaan saldo des boedels.

Waar het gedaagde bestuur heeft gevonden de uitlegging van het woord genieten in den zin van zuiver verkrijgen is aan opposante niet bekend. Zeker is het evenwel, dat het gewone taalgebruik eene dergelijke opvatting niet wettigt.

Indien, bij voorbeeld, aan iemand een stuk land ter waarde van f 1000 wordt gelegateerd onder den last van 200 uit te keeren aan een derde, zal niemand, behalve het gedaagde bestuur, beweren, dat zoodanig legataris niet geniet.

In de wetten komt het woord genieten dan ook voor in den zin, dien de opposante daaraan hecht.

Art. 1 van het B. W. strekt daarvoor reeds dadelijk ten bewijze; het bepaalt: „het genot der burgerlijke „regter is onafhankelijk” enz., en niemand zal beweren dat aan de burgerlijke regten geene lasten verbonden zijn. Art. 767 B. W. zegt, dat „erfpachtsregt is een zakelijk regt om het vol genot te hebben onder gehoudenis om eene jaarlijksche pacht te voldoen.”

Genoeg, naar de meening van opposante, om te bewijzen dat de uitlegging, door het bestuur aan genieten gegeven, onhoudbaar is. Ware de interpretatie van het bestuur de ware, dan zoude men de grootste ongerijmdheden moeten aannemen. Dan toch zouden de personen, in art. 956 B. W. genoemd, voordeel uit elkanders uitersten wil mogen trekken, mits aan dat voordeel slechts lasten verbonden zijn, want, volgens het bestuur, verkrijgt men dan niet zuiver, geniet men dan niet. De meening van het bestuur aannemende, zoude men de geheele 2e afdeeling van den 12" titel van het tweede boek B. W. niet kunnen toepassen op makingen, waaraan lasten verbonden zijn.

De geheele verdediging van het bestuur berust uit. sluitend op de stelling dat hetgeen de nieuwe echtgenoot als aandeel in den boedel van den anderen echtgenoot verkrijgt, zonder lasten wordt verkregen.

Zoude echter de vordering van het bestuur voor toewijzing vatbaar zijn, dan diende het ook te bewijzen, dat hetgeen de nieuwe echtgenoot verkrijgt voor zijne aanbrengst, en voor zijn aandeel in de winst mede slechts is een bedrag uit het saldo des boedels. Hiervan rept het bestuur met geen enkel woord, en toch maken ook die aanbrengst en dat aandeel in de winst een gedeelte uit van den gemeenschappelijken boedel.

Dat het aandeel van den nieuwen echtgenoot niet moet worden berekend over het saldo maar over het geheele actief des boedels, blijkt nog nader uit de omstandigheid, dat indien aan den nieuwen echtgenoot goederen zijn toebedeeld, gelijk staande met de waarde van zijn aandeel in de gemeenschappelijke goederen, onder den last om in evenredigheid daarvan in de schulden te dragen, zoodat hij ten slotte zuiver verkrijgt zooveel als zijn aandeel in het saldo bedraagt, dat alsdan de voorkinderen geene regtsvordering tot inkorting hebben, aangezien zij niet benadeeld zijn.

Die benadeeling te voorkomen is het doel geweest van de bepaling van art. 236, niet eene wijziging van de gemeenschap, zooals die is vastgesteld bij art. 235 B. W.

De opposante meent hiermede de onhoudbaarheid der stelling van het gedaagde bestuur voldoende te hebben aangetoond.”

Het bestuur der registratie diende daarop eene memorie in, waarin voorkomt:

„Het punt waarover partijen geschil hebben, is enkel de vraag, of in het geval van art. 236 B. W. de regten van den nieuwen echtgenoot door dat artikel, in verband met art. 240 B. W. worden beperkt tot a zijnen zuiveren aanbreng, 6 het bedrag dat het minst bevoordeelde der voorkinderen zuiver geniet, en c de helft van de overwinst, dat is: van de som, die blijkt overgewonnen te zijn, met dat gevolg, dat al het overschietende, belast met al de schulden, tot de nalatenschap des hertrouwden behoort ?

Moet die vraag toestemmend worden beantwoord, dan houdt de acte eene overbedeeling aan de opposante in van f 5927.47, tegen overneming van een gelijk bedrag der schulden, dan is dus het dwangschrift gegrond. Moet zij daarentegen ontkennend worden op

« EdellinenJatka »